Lezingen: Ezechiël 33, 21-33 en Marcus 11, 1-11
Voorganger: ds. Jaap van den Akker
De stad is gevallen!
Eén heeft het overleefd. Hij komt binnenrennen. Een vluchteling, moe en berooid. De stad is gevallen…
Die uitroep, die ene zin, deed me ergens aandenken. Zo’n zin staat ook verderop in de bijbel. In Openbaring 18 om precies te zijn. “Gevallen, gevallen is die grote stad“, staat er, “Gevallen is Babylon.” (Opb 18: 2) Ja , dat is het verschil. De naam van de stad is een andere. Het verhaal is bijna hetzelfde en de toedracht is bijna hetzelfde, maar de naam van de stad verschilt.
Gevallen is Babylon - dat is waar de ballingen op hopen, op die uitroep, op dat grote nieuws: dat Babylon gevallen is, maar niets is minder waar. Hier blijkt het omgekeerde te zijn gebeurd, het onmogelijke. De grote stad die gevallen is, is niet Babylon - de stad van de verleiding, de uitbuiting en het kwaad. Nee, de stad die gevallen is, is Jeruzalem!
Ik was op zoek naar een krantenkop uit 2003. Met dikke vette letters stond het in elke krant: Bagdad is gevallen 9 april 2003. Als ik hem had gevonden had ik hem hier op de beamer laten zien. Want zo moeten de kranten in Babylonië gekopt hebben op deze dag in 587 voor Christus: De stad is gevallen. De ballingen worden met schrik wakker, als het ochtendblad deur de brievenbus ploft. Ezechiël slaat de schrik om het hart als die vluchteling komt binnen rennen: “De stad is gevallen!” Alle hoop op een voorspoedige terugkeer is de grond in geslagen. De stad is niet meer.
En de lezer van Ezechiël weet: dat gaat over Jeruzalem, dé stad van het grote Bijbelverhaal. De stad van de toekomst, de stad van vrede. De stad waar je kunt dromen van een betere wereld, de stad waar het visioen woont. Uit Sion – uit Jeruzalem komt de Thora. Jeruzalem, die stad die staat voor alles waar iedereen op deze wereld van droomt. Alle volkeren op aarde - ze zijn op weg naar Jeruzalem, want daar is het goed...
Jeruzalem dat is de plek waar hemelen aarde elkaar raken.
Daarom is het laatste boek van de Bijbel, in Openbaring, wèl die andere stad, de tegenpool van Jeruzalem, die valt. In Openbaring is het Babylon dat valt. En Babylon staat dáár voor Rome. De machtigste stad van de toenmalige wereld. Die zich verrijkt ten koste van anderen. Alle volken zuigt ze uit, alle rijkdom wordt vergaard in Rome. Die prachtige paleizen en tempels in Rome - ze zijn gebouwd over de ruggen van alle volken op aarde. . Maar Jeruzalem, ja, Jeruzalem dat is de stad die neerdaalt uit de hemel. Het is de stad met twaalf poorten. Twaalf poorten die nooit gesloten zijn, want er is geen dreiging, geen oorlog. De stad is nooit gesloten want iedereen is welkom. In die stad. In dat hemelse Jeruzalem kunnen alle mensen van heel de aarde hun plekje vinden. In Jeruzalem kun je mens worden. In Jeruzalem mag je zijn wie je bent. Daar kunt je opgroeien, opbloeien, uitgroeien tot het beeld van God dat je ten diepste al bent.
In die stad zal geen rouw meer zijn en geen verdriet. Alle tranen zullen van je ogen gewist zijn. Het is niet vergeten en vergeven. Je mag er zijn met heel geschiedenis, en je vindt er een luisterend oor en een troostende arm. In die stad is vrede. In die stad is er eten en drinken voor iedereen – niet te veel, maar wel ruimschoots voldoende. Geen oorlog meer in die stad, maar ook geen tempels en kerken, volstrekt overbodig, God woont daar zelf in die stad tussen ons in.
Zo zou Jeruzalem moeten zijn. En de ballingen hebben er van gedroomd. Al die tijd toen ze nog zelf in Jeruzalem woonden en nu ze hier zijn in Babylonië nog veel meer. Die droom hield hen op de been. Zoals door de eeuwen heen iedereen. Zo’n prachtig visioen. Het geeft je richting en houvast. Dat visioen daaruit leefde Jezus, toen hij op die jonge ezel stapte en Jeruzalem binnenreed. En Jezus maakte met die tocht alle dromen wakker in de mensen die dat zagen. Dit is de vredevorst. Hosanna voor de zoon van David. Maar deze droom, deze droom is naïef. Hij valt duigen. Heden hosanna – morgen kruisigt hem (gez. 173). Jeruzalem is niet de stad van vrede. Niet nu, waar Christenen, Joden en Moslims elkaar bevechten en aftroeven om de heilige plaatsen en steeds weer stukjes van de vredesstad gewapender hand te veroveren. In de tijd van Jezus niet, want wat doet Jezus de volgende dag: hij houdt grote schoonmaak op het tempelplein omdat de vredesstad een Babylon is geworden. Een plek waar winst wordt gemaakt en mensen worden uitgebuit. In de stad van vrede wordt de zoon van David deze week veroordeeld en er even buiten de stad geëxecuteerd door de dood aan het kruis. Mooie stad. Mooi visioen. Als een luchtbel spat de droom uiteen als de krant op de deurmat valt.
Hoe erg moet dat wel niet gegolden hebben voorde vallingen in Babylonië. Waar zij zo hoopten op goede berichten uit het beloofde Land. Op hoopvolle berichten, van een kentering in de strijdt – gebeurt het tegenovergestelde. De beker moet tot de bodem toe worden leeggedronken. Hier in de ballingschap en zo meteen in de hof van Getsémané.
En waarom? Omdat Jeruzalem helemaal niet de stad van de vrede was. Jeruzalem – het was het niet waard om zo te heten. Het woord Sjalom zou erin moeten zitten Jerusjalaim. Maar het is verworden tot een stad als alle steden - Babylon. Alle dromen liggen in duigen. Het is een ruïne geworden. De rookpluimen hangen boven de stad, zoals in Rotterdam in 1940, in Dresden in 1945, zoals in Bagdad in 2003, of Homs vandaag. En zouden ze er nu van leren - de bewoners van Jeruzalem? Of zeggen ze: “Abraham was maar alleen en kreeg dit land, dus wij zullen het zeker krijgen – wij zijn met velen!”(Ez. 33:24). En zullen ze nu eindelijk luisteren naar de profeten van de God van Israël? Naar Ezechiël bijvoorbeeld. nu zullen ze toch wel luisteren – hij heeft hen gewaarschuwd. Hi zag het aankomen, maar ze hebben niet geluisterd. Nu zullen ze dat toch wel doen? Of zullen ze meewarig naar je opkijken, als of je een liedjeszanger bent (Ez. 33:32). Marco Borsato op de radio, om even je treurige stemming te verdrijven en dan snel vergeten en op de oude weg voortgaan. Ze horen wel wat je zegt, maar ze handelen er niet naar.
De inwoners van Jeruzalem op de puinhopen van hun bestaan, ze doen hetzelfde als wij allemaal. Ze halen hun schouders op. ‘Ach joh, is er iet nieuws onder de zon? Zo gaat dat nu eenmaal. Dan is er daar een oorlog en dan daar. Daar kunnen wij toch niets aan doen. En dan gebeurt er iets ergs in deze plaats en dan in een andere. Alphen aan den Rijn, Volendam, Enschede, Apeldoorn. We knutselen wat aan de procedures en dan gaan we weer gewoon verder. Daar kunnen wij toch niets aan doen? Soms roept er weleens iemand: Dit moet anders het gaat fout met de wereld. Kijk eens om je hen. Wees er eens voor elkaar. Soms kamperen er wat mensen op het beursplein of het Malieveld. Of is er een kerk of een predikant die roept dat het zo niet goed gaat met de samenleving. Maar ja, we halen onze schouders op en leven rustig verder. ’t Is koopzondag, kom we gaan winkelen.
Het is de kunst om niet afgestompt te raken. Het is de kunst om echt te schrikken als het visioen van een wereld waar het goed is aan scherven dreigt te vallen.
Het is de kunst om de scherven dan weer te lijmen, met z’n alle n en zeker hier in de kerk. Zonder visioen kunnen we niet leven.
Het is de kunst om als de hosanna-stemming van palmzondag stuk dreigt te lopen op valse beschuldigingen van mensen de hun straatje aan het schoonvegen zijn, om dan de scherven na Goede Vrijdag bij elkaar te vegen en er in te blijven geloven, dat het echt kan: een stad van vrede, opstanding der doden. Eeuwig leven.
Ín alle onverschilligheid. In alle afgestomptheid van het slechte nieuws
In alle grote en kleine rampen in deze wereld in ons eigen huis rijdt er vandaag een koning binnen. Een gewone man zo op het eerste gezicht, op een ezeltje. Hij wijst ons de weg door de onverschilligheid en wanhoop heen, hij wijst de weg naar echt leven, naar God. Hij maakt van de stad die bol staat van de spanning alleen al met zijn verschijning een stad van vrede. Hij gaat ons voor naar God. Hij blaast dat uitgedoofde visioen van de hemel op de aarde nieuw leven in.
Maar vraag niet hoe. Hij moet eerst door de dood heen.
Amen.
|